Historie

Voorgeschiedenis

Kort na de opening van de Katholieke Universiteit Nijmegen in 1923 werd het Nijmeegs Studenten Corps (NSC) ‘Carolus Magnus’ opgericht. Het was de belangenbehartigingsorganisatie voor alle studenten, de organisatie die zich met cultuur, gezelligheid, etc. bezighield. Van het Corps was iedereen lid: er was voor alle studenten een verplichte (door de universiteit opgelegde) corpsomslag. Carolus Magnus had een eigen sociëteit, die in 1925 is geopend. Het werd bestuurd door de Senatus Illustrissimus Societatis Noviomagensis, kortweg de Senaat. Pas later, in 1928, kwam er een aparte sociëteit voor de heren, studentensociëteit Roland, en verenigden de dames zich in de Meisjesclub ‘Lumen Ducet’. Aanvankelijk waren de Herensociëteit en de Meisjesclub op verdiepingen van het Corpsgebouw gevestigd, en was er sprake van een scheiding tussen Senaat en Kroegbestuur, zoals ook nu nog in veel studentenverenigingen een apart verenigings- en sociëteitsbestuur bestaat.

senaat_rolandToen het NSC ook leden kreeg die geen lid waren van Roland of de Meisjesclub, verdwenen deze uit het Corpsgebouw en betrokken eigen sociëteiten. De laatste Rolandsociëteit was gevestigd aan de Van Berchenstraat, terwijl de naam Meisjesclub nog een tijd in Nijmegen voortleefde als naam voor Bijleveldsingel 26, tot 1997 de sociëteit van de huidige Nijmeegse Studentenvereniging Carolus Magnus. Het Corps was het laatst gevestigd in het pand aan de Oranjesingel 42, dat onder de naam O’42 van 2001 tot 2006 de thuisbasis van Phocas was.

Vanaf 1925 ontstonden met dispuut H.O.E.K. en de Tempeliers de eerste gezelschappen die zich aansloten bij het Corps. In 1930 werd dispuut Het G.I.L.D.E. (‘Gaudeamus in Luce, Delemus Errationem’) opgericht, dat vaak de titulair stichter van Phocas genoemd wordt, omdat een aantal van de oprichters van Phocas lid was van dit dispuut, onderdeel van sociëteit Roland. Bij de oprichting van Phocas waren echter ook leden van de disputen de Tempeliers en de Gong betrokken.
.

 

De oprichting van Phocas
Kort na de Tweede Wereldoorlog kwam in Nijmegen het universitaire en studentenleven geleidelijk weer op gang. Iedereen zat vol plannen voor de toekomst en bij de pas ingestelde Nijmeegse Studenten-Sportcommissie – een onderdeel van het Corps – leefde het verlangen om nu ook in Nijmegen een roeivereniging op te richten, wat als onmisbaar attribuut werd beschouwd voor het streven van het NSC naar opname in de rij van erkende Nederlandse Studenten Corpora.

Eén van de meest fervente voorstanders van dit plan was F. Nederveen. Ook Willem van der Bijl, destijds sportleraar aan de Katholieke Universiteit en Harry van Weegen, destijds praeses van de Universitaire Sportcommissie, en vele anderen liepen er warm voor. Harry van Weegen werd ook de eerste voorzitter van Phocas. Klik hier voor een powerpoint met afbeeldingen van de geschiedenis van Phocas.

 

De Père

Pere van Ogtrop

Dé stuwende kracht achter de jonge N.S.R.V. was echter B.G.M. (Dick) van Ogtrop, moderator (geestelijk adviseur) van het N.S.C. Van Ogtrop – meestal Père van Ogtrop of kortweg de Père genoemd – had nog vele relaties binnen de roeiwereld en in het bijzonder met de roeivereniging van het Amsterdams Studenten Corps, de A.S.R. Nereus. Hiervan was de Père in de jaren ‘20 lid geweest toen hij in Amsterdam chemie studeerde. Hij was een begenadigd roeier en won onder meer in 1924 voor Nereus de Varsity. Ook stichtte hij in 1931 in Amsterdam de roeivereniging RIC.

Na zijn afstuderen voelde de Père zich echter geroepen het klooster in te gaan om zich op het priesterschap voor te bereiden. Zijn liefde voor de roeisport had hem echter niet verlaten en toen hij door de bisschop in Nijmegen werd benoemd, zag hij na de oorlog de kans schoon om mee te helpen met de oprichting van Phocas. Mede dankzij zijn inspanningen en relaties konden de eerste boten in het bezit van Phocas komen. De Père – bekend om zijn rode motor, waarop hij, altijd gekleed in zwart pak met wit boordje maar met hier overheen een zwart leren motorjack en op z’n hoofd een door weer en wind getergde zwarte hoed, van student naar student en van stad naar Phocas en weer terug scheurde – verzorgde tevens samen met Willem van der Bijl de eerste coaching bij Phocas.

Van Ogtrop heeft in de beginjaren een onuitwisbaar stempel op Phocas gedrukt. Vooral bij het jaarlijks komen en gaan van verschillende besturen was hij de waarborg voor de continuïteit van de vereniging. Bij de verkiezing van mr. Van Rijn tot erelid, sprak deze de wens uit dat er altijd een acht in de vloot ligt, die ter nagedachtenis aan De Père de naam ‘Père van Ogtrop’ draagt. Sindsdien is dit gebruikelijk.

 

De eerste periode
Na een eerste contact met de heer Cole, vice-praeses van de (toen nog geen Koninklijke) Nederlandsche Roeibond, bleek dat het eerste wat een roeivereniging nodig heeft boten waren. Nieuw materiaal was er in de eerste na-oorlogse jaren nauwelijks te verkrijgen. Veel verenigingen waren al hun materiaal kwijt. Er ontstond dan ook een stroom van orders en de prijzen werden zo hoog, dat deze voor een beginnende vereniging niet te betalen waren. Met behulp van de al genoemde relaties van De Père, ging men op zoek naar tweedehands materiaal. De eerste bakken_1952boten waren een tub en een oefenvier. Nu moesten er nog een botenhuis en een vlot komen. Er werd een boerderijtje gevonden aan de oostkant van het Maas-Waalkanaal, iets ten noorden van de Graafsebrug. Hier lagen de boten buiten onder gehuurde zeilen; de kleedkamer bestond uit afgeschotte gedeelten van de koeienstal en de douche- en wasgelegenheid vond men geconcentreerd bij de gewone zwengelhandpomp, die op iedere boerderij nog een eenzame strijd tegen de milieuvervuiling streed. Op die plaats en onder die omstandigheden gingen de eerste Phocasroeiers te water.

De naam ‘Phocas’
In 1947 werd er na de oprichting een prijsvraag uitgeschreven voor de naamgeving van de vereniging. Het was een gegeven dat vrijwel alle klassieke namen, zoals Nereus, Triton en Aegir al door oudere studentenroeiverenigingen in gebruik waren. Uitgangspunt was dan ook voor de Nijmeegse Studenten Roeivereniging een naam te verzinnen die ook met de Katholieke Universiteit enige binding had, maar die toch vooral bruikbaar was als ‘yell’ voor de wedstrijden.

Uiteindelijk is in december 1947 de inzending van Godfried Hermesdorf, de commissaris materiaal van het eerste bestuur, door de jury uitverkozen: Phocas. De naam komt van Sint Phocas, die in de eerste eeuw na Christus leefde in Sinope, een plaats gelegen in het noorden van het huidige Turkije, aan de zuidkust van de Zwarte Zee. De jonge Phocas werkte als leerling op een scheepswerf. Volgens de overlevering heeft Phocas vele malen wonderen verricht door in problemen verkerende schepen van de ondergang te redden. Zeelieden in heel Klein-Azië en Noord-Afrika vereerden hem dan ook. Ondanks zijn opleiding voelde Phocas zich echter tot iets ‘hogers’ geroepen: hij wilde priester worden. Jaren later, inmiddels bisschop geworden van zijn eigen geboortestad, loodste Phocas het schip van kerk en bemanning veilig langs de gevaarlijke klippen van heidendom en vervolging. Uiteindelijk liet de Romeinse keizer Trajanus Sint Phocas terecht stellen. Zijn overblijfselen zijn bijgezet in de kerk der H.H. Apostelen in Vienne, Frankrijk.

De eerste wedstrijd
Reeds in 1948 werd er al deelgenomen aan een wedstrijd, in een geleende overnaadse vier, waarin pas daags voor de wedstrijd voor het eerst werd getraind. Het resultaat was uiteraard niet fameus, maar Phocas had al in het eerste seizoen van zijn bestaan aan een wedstrijd deelgenomen!

 

Het eerste botenhuis
In april 1948 kreeg Phocas de beschikking over het eerste botenhuis. opening_botenhuisDe boerderij waar het allemaal begon werd vervangen door de westelijke tunnel van de oude Graafsebrug. Deze was oorspronkelijk bedoeld was als fietstunnel, maar mocht aan beide kanten dichtgemetseld worden. De gemeente Nijmegen zorgde voor een betonnen vloer. Onder leiding van Willem van der Bijl en Père van Ogtrop werd de inrichting met betonnen staanders en tussenliggende betonnen platen ontworpen en uitgevoerd. Het vlot kwam van de overkant en kreeg houten trappen er naartoe. Op 24 april 1948 werd het botenhuis officieel geopend door de toenmalige Rector Magnificus R. Post en daarna ingezegend door de Père.
De eerste bootsman van Phocas werd Tinus van Lin, die als timmerman op de zolder van een huis in de stad kano’s bouwde. In ruil voor een betere werkplaats, het botenhuis, zou hij hier toezicht houden en voorkomende reparaties uitvoeren. Naast behoorlijk timmeren kon hij echter ook geweldig vertellen en uitbeelden, en op de grote buiskachel had hij altijd koffie klaar staan. Hij was een vriend van iedereen, had altijd honden, waarmee hij allerlei avonturen beleefde, was tot in het diepst van zijn hart aan Phocas verknocht en hoorde erbij.

In april 1949 organiseerde Phocas op het Maas-Waalkanaal haar eerste nationale roeiwedstrijd. Met oprechte verbazing namen de andere roeiverenigingen in den lande kennis van Phocas’ situatie. Men had verwacht slechts ‘paters en theologen’ aan te treffen. Zij troffen echter een algemene studentenvereniging die ook in de beginjaren door lieden van velerlei pluimage werd gefrequenteerd.

 

Het Haemellied
Het lied van Phocas, het Haemellied, is in 1951 door de toenmalige praeses Joep Driessen geïntroduceerd. In deze tijd zaten er bij Phocas nogal wat oud-Indiëgangers, die dit lied al kenden uit hun diensttijd. Hierdoor en omdat het lied mooi afweek van de wat opgeklopte liederen van andere (traditionele) verenigingen, werd het al snel geaccepteerd als verenigingslied.

In de loop der jaren heeft het lied echter nogal wat kritiek te voorduren gehad. De tekst zou te ruig zijn en niet passen bij de diverse feestelijkheden van andere (roei-)verenigingen. Bovendien raakte het aantal niet-Oud-Indië-gangers die het lied niet kenden in de meerderheid. In 1952 heeft de toenmalige ab-actis Jan Funneman nog geprobeerd er een zelf geschreven lied op de wijze van het Slavenkoor uit de Nabuco van Verdi door te krijgen, maar dit raakte na een paar jaar in de vergetelheid. Tegenwoordig wordt het Haemellied weer op diverse officiële gelegenheden (zoals botendoop en bestuurswissel) en bij het trekken van blik op wedstrijden gezongen.

In principe zet de voorzitter het Haemellied in. Mocht de voorzitter onverhoopt niet aanwezig zijn, kan een ander bestuurlid inzetten. Dit zal het bestuurslid doen dat het hoogste in constitutievolgorde staat. In het zeldzame geval dat het gehele bestuur afwezig is, mag het in anciënniteit oudste aanwezige lid aanheffen. Na het inzetten van het Haemellied vallen alle aanwezige leden bij met respect en uit volle borst.

 

De jaren zestig

Tot het einde van de jaren zestig heeft Phocas deel uitgemaakt van het Nijmeegs Studenten Corps (NSC). In deze tijd veranderde echter de studentenpopulatie en was over het geheel genomen anders georiënteerd. Existentialisme, Derde-wereldproblematiek, democratisering van de Universiteitsstructuur en later het surrealisme stonden in de belangstelling. Het NSC begon uit elkaar te vallen. Een meerderheid van ontevredenen in het Corps-parlement liet in 1965 de naam veranderen in Unie van Studenten van Nijmegen (USN) en het verplichte Corpslidmaatschap werd afgeschaft. Roland en de Meisjesclub trokken zich terug uit de USN en fuseerden in 1972  noodgedwongen tot de huidige Nijmeegse Studentenvereniging Carolus Magnus. Bij Phocas vervielen de Latijnse benamingen voor de bestuursfuncties: praeses werd voorzitter. Nu werd, voor zover dit nog niet werd gedaan, een geheel eigen koers gevaren.

zwarevier_1965In de jaren zestig namen de vaarsnelheid en de dichtheid van het scheepvaartverkeer in het Maas-Waalkanaal sterk toe. De hoge golfslag van passerende schepen was uitermate hinderlijk tijdens de roeitraining en de averijkosten aan vlotten en roeimateriaal gingen jaarlijks met sprongen omhoog. Het Maas-Waalkanaal verloor zijn aantrekkelijkheid als roeibaan. Toen in 1964 bovendien bekend werd dat de verbreding van het kanaal en de bouw van een nieuwe Graafsebrug ten koste zou gaan van de behuizing van Phocas, werd het tijd om naar andere roeiwatereren uit te zien. In 1965 richtte Phocas een huisvestingscommissie op, die onmiddellijk in samenwerking met de pas opgerichte adviescommissie talloze voorstellen voor alternatieve roeiwatereren ontwikkelde en diepgaand op hun haalbaarheid toetste.

 

De jaren zeventig
Uiteindelijk kwam de huisvestingscommissie o.l.v. Wil van den Manacker samen met de gemeente Nijmegen en Rijkswaterstaat op het idee voor een drijvend botenhuis in het Maas-Waalkanaal. Inmiddels was de ‘ophoepeldatum’ gezet op 1 november 1971, zodat er snel het een en ander geregeld moest worden. Scheepswerf ‘De Blauwe Wimpel’ uit Diemen wilde uiteindelijk een botenhuis naar ontwerp van W. Hofman bouwen voor ƒ 300.000,–. Het grootste deel werd door de universiteit opgebracht (ƒ 250.000,–), de rest door de stichting Carolus Magnus, brouwerij Heineken en de bouwheer van de universiteit, de heer Van der Linden. In oktober 1971 werd de loods onder de brug ontmanteld en na een groots ‘Lazerus op’-feest op 1 november door Rijkswaterstaat leeggeruimd.

bouw_nieuwbotenhuis1Na een tijdje in een zogenaamde nissenhut bij de Malderburgtstraat te zijn ondergebracht, kreeg Phocas in 1972 de beschikking over het drijvend botenhuis. De eerste kinderziekte bleek echter al vóór de drijvende kolos was afgemeerd bij de voorlopige ligplaats bij de Middachtenstraat, iets ten noorden van kilometerpaal 6. De boreling was zo stevig uit de kluiten gewassen dat de (oude) Graafsebrug niet gepasseerd kon worden zonder de punten van het dak af te varen. En de bewuste brug zou pas enige jaren later gerenoveerd worden. In september 1972 werden er enige tonnen water in de twee betonnen bakken gepompt, en het hele gevaarte zakte enige decimeters en ging zonder kapseizen naar zijn voorlopig laatste bestemming. Op 28 oktober 1972 werd het botenhuis – “de Haemel” – officieel geopend door prof. Van Melsen, die het een ‘onverantwoorde verantwoorde uitgave’ van de universiteit noemde. In 1978, toen ook het deel van het Maas-Waalkanaal vanaf Hatert in zuidelijke richting verbreed zou gaan worden, kwam het botenhuis op zijn huidige lokatie te liggen: bij de Hatertse brug aan de Oostkanaaldijk, bij de studentenflat Vossenveld.

 

De jaren tachtigted_willemjan

Na een aantal deelnames van Phocas-roeiers en roeisters eind jaren zeventig aan internationale wedstrijden, Wereldkampioenschappen en Olympische Spelen waar weliswaar uitstekend gepresteerd werd, maar nog steeds geen medaille was gewonnen, was het in 1981 Ted Bosman die Phocas in München de eerste zilveren WK-medaille bezorgde in de 2- samen met Aegirroeier Willem-Jan Atsma.

Werden tot dan toe leden altijd ‘Phocaden’ of ‘Phocassers’ genoemd, in 1987 introduceerde de kersverse voorzitter Vincent Zimmerman in zijn inaugurele rede het begrip ‘Phocaan’. Dit werd hem door de toenmalige leden niet in dank afgenomen, waardoor hij halverwege het jaar zijn functie heeft neergelegd. In 1991 heeft voorzitter Mark Verwijs het opnieuw geïntroduceerd. Blijkbaar was de tijd er toen wel rijp voor.

 

 

De jaren negentig
nelleke_borns

Pas in de jaren negentig kreeg Phocas echt voet aan de grond in het internationale roeien. Met name door de dames werden prachtige successen behaald. Nelleke Penninx won in 1995 brons op de WK te Tampere in Finland met de D4x, waarmee ze in 1996 zesde werd op de Olympische Spelen van Atlanta. In 1997 was het de beurt aan Sigrid Winkelhuis, die met de LD4x brons veroverde op de WK in Luzern. In 1998 won ze in de LD2x goud op de FISU-WK in Zagreb. In 1998 won Nelleke Penninx wederom brons op de WK in Keulen, maar nu in de D4-.

Niet alleen op het roeigebied bereikte Phocas grote successen. Eind jaren negentig kreeg het lidmaatschap van Phocas een extra dimensie. Vanaf maart 1997 kon er in het pand aan de Bijleveldsingel 26 elke woensdagavond geborreld worden tijdens het Phocascafé.

 


Het nieuwe millenium

De positieve lijn in het internationale roeien uit de jaren negentig is in het nieuwe millennium voluit doorgezet. Het jaar 2000 werd een hoogtepunt in de historie van Phocas: Nelleke Penninx behaalde voor Phocas de eerste olympische medaille. Ze won met de Nederlandse D8+ een zilveren medaille in Sydney. In het jaar 2001 heeft Mirjam ter Beek, oud-Phocas roeister, een zilveren medaille in de lichte dames skiff gewonnen op het WK in Luzern. In 2002 won zij opnieuw een zilveren medaille in de D4x op het WK in Sevilla.

PiekOok veroverde Annemarieke ‘Piek’ van Rumpt in dit jaar een zilveren medaille in de D4- op de Nations Cup voor roeiers onder de 23 in Genua. In 2003 behaalde zij wederom een zilveren medaille, ditmaal op de WK te Milaan in de D4-. Met de verrassende D8+ heeft zij in 2004 op de Olympische Spelen van Athene de bronzen medaille gewonnen. Dit brons behaalde zij het jaar daarop ook op het WK in Gifu, eveneens in de D8+. In 2008 wist de dames8+, wederom met Piek, middels een geweldige eindsprint zelfs de zilverenmedaille op de olympische spelen in Beijing te veroveren.

Aan het begin van het nieuwe millennium kwam Phocas weer terug in de sociëteit aan de Oranjesingel 42, waar het in 1947 allemaal begon. Tot juni 2006 waren Phocas’ sociëteit en bestuurskamer in deze oude sociëteit van het NSC gevestigd. Ook andere verenigingen maakten gebruik van dit pand. Er werd echter te weinig gebruik van gemaakt, waardoor de eigenaar, het Stichting Nijmeegs Universiteitsfonds, besloot het pand te verkopen.

algemeen

Doordat de vereniging Diogenes in die periode failliet ging, kwam er ruimte voor Phocas in het voormalige Diogenespand, aan de Van Schaeck Mathonsingel 10. Dit pand is inmiddels gedoopt tot de ‘Villa van Schaeck’, kortweg de Villa. Samen met de Nijmeegse Studenten Navigators (NSN) is Phocas verantwoordelijk voor het beheer van dit pand, via de Stichting Villa van Schaeck.

Het botenhuis uit de jaren zeventig heeft inmiddels zijn langste tijd gehad en begint vele gebreken te vertonen. Daarnaast wordt het roeien op het Maas-Waalkanaal steeds moeilijker en gevaarlijker door de toenemende grote van de scheepvaart. Dit heeft de vereniging er toe doen besluiten een nieuw botenhuis te bouwen, waar is echter vooralsnog onduidelijk. De hoop is dat binnen enkele jaren het botenhuis samen met het secretariaat op een nieuwe locatie gevestigd kunnen worden.